Verhalen 1995

Gepubliceerd op 9 februari 2020

‘In weer en wind hebben we aan één stuk doorgewerkt’

Arjan en Driek klein
Driek en Arjan Kriesels, Lathum

‘Op maandag 30 januari 1995 hadden we het gevoel: er gaat wat gebeuren. Het was spannend, het water van de IJssel stond tot bovenaan de dijk. Zo hoog hadden we het nog nooit gezien. Uit voorzorg hadden we onze medewerkers dicht bij huis gehouden en ook al een evacuatieplan gemaakt voor onze machines. Die middag kwam Jan Hoekstra van het waterschap bij ons, een autoriteit op het gebied van dijken. “We hebben een probleem”, zei hij. “We hebben zodanig hoogwater én een verkeerde wind dat we nu wat moeten doen.” Hoekstra stelde voor om strobalen op de dijk te leggen, zodat het water door de harde wind niet over de dijk zou slaan. Daar hadden we eerst wel wat bedenkingen bij. Zou dat het water gaan tegenhouden? Maar ja, er was geen tijd meer om zandzakken te vullen en met vervoer van bigbags zouden we de hele dijk kapot rijden. We gingen dus aan de slag om een dijkje van strobalen te maken. Niet met gewone balen, maar extra grote van ruim 100 kilo per stuk. Jan Hoekstra gaf aan: “Kunnen we ze niet krijgen, dan moeten we ze vorderen.” Met een goed verhaal hebben we er meer dan genoeg kunnen krijgen, iedereen was heel betrokken. Tot middenin de nacht werden strobalen van heinde en verre gebracht. In weer en wind hebben we met heel veel mensen ruim 24 uur aan één stuk doorgewerkt over een lengte van 2 kilometer. In de dagen daarna liepen we met Hoekstra vele controlerondes over de dijk. Op verschillende plekken had hij vooraf spijkers in het asfalt geslagen om te kijken of er beweging in de dijk zat. Hij had er best wel zorg over, al zei hij dat niet. Bang dat we paniek zouden zaaien. Als de Bandijk het niet gehouden had, hadden 100.000 inwoners van de Liemers onder water gestaan. Toen het gevaar na een paar dagen geweken was, zijn alle strobalen weer van de dijk gehaald. Achteraf gezien was het prachtig werk en in een goede sfeer met iedereen die in touw was. Het was een bijzondere gebeurtenis die je je leven lang niet meer vergeet. Mooi dat we er een steentje aan hebben kunnen bijdragen.’

‘Er brak paniek uit na een bericht op de radio’

Jan klein
Jan van de Zand, Tuindorp

‘In januari 1995 was het hier heel spannend. Tuindorp is een badkuip. Rondom ons was er alleen maar water, water en nog eens water. Vanaf alle kanten werden we bestormd: vanaf de Rijn, de scheepswerf, de haven en recreatieplas de Bijland. Door de aanwakkerende westenwind werd het water ook nog eens verder opgestuwd. De dijk en de straten waren zompig en helemaal verzadigd van het water. Het stond ons echt tot aan de lippen en dat maakte de mensen angstig. “Zullen we het halen?”, vroegen ze zich af. Uit voorzorg werd in de meeste huizen alle meubilair naar zolder verhuisd, want als het water zou komen, zou alles hier onder water komen te staan. Op een gegeven moment kwam er een bericht over de radio van burgemeester Scholten uit Arnhem die ons opdroeg Tuindorp te evacueren. Nou, dat kwam als een complete verrassing en zette kwaad bloed. Bij ons als bewoners, maar vooral ook bij burgemeester Burgering van de toenmalige gemeente Rijnwaarden en dijkgraaf Wolters van het polderdistrict. Witheet waren ze, want zij gingen daarover en niet Scholten uit Arnhem! In het buurthuis van Tuindorp – wat toen als crisiscentrum fungeerde - hebben ze hem dat die avond heel duidelijk gemaakt. De oproep zorgde ook voor paniek. In een mum van tijd stond Tuindorp vol met verhuiswagens, aanhangwagentjes en karretjes om huizen leeg te halen. Je kon het dorp niet meer in of uit. Uiteindelijk zijn enkele bewoners vertrokken, maar we hoefden niet te evacueren. En als het toch had gemoeten, dan lagen er in de werf schepen klaar waar we met alle bewoners van Tuindorp op hadden gekund.’

‘Er hing een spookachtige sfeer in het dorp’

Sander klein
Sander van Poorten, Millingen

‘Tijdens het dreigende hoogwater van 1995 liep ik als student Civiele Techniek stage bij ingenieursbureau Fugro. Ik was op veldbezoek toen ik hoorde dat de Ooijpolder - waar ik met mijn ouders woonde - ontruimd moest worden, belde ik meteen naar huis. Mijn ouders waren nog rustig. Mijn vader was schipper en “een beetje water” waren we dus wel gewend. Toch kreeg ik onderweg naar Millingen al snel het idee dat er écht iets aan de hand was. Ik reed vanaf de hoge stuwwal in Nijmegen een badkuip in en overal zag ik vrachtwagens en aanhangers met huisraad. Wij waren zo ongeveer de laatsten die Millingen verlieten. Militairen bewaakten de grens met Duitsland en bij vertrek moesten we ons afmelden. Het was een surrealistisch beeld. Nergens zag je nog lampen branden, er hing een spookachtige sfeer in het dorp. Samen met een oom, tante en hun dochter uit de Ooij verbleven we die week hoog en droog bij familie in Groesbeek. Drie gezinnen bij elkaar in een klein huis. Ondanks de situatie, was het eigenlijk heel erg leuk. We deden veel spelletjes, haalden boodschappen en kookten samen. Het bracht de familie letterlijk en figuurlijk dichter bij elkaar. Continu keken we ook naar het journaal. Er gingen zelfs geruchten dat de dijk in de Ooijpolder opgeblazen zou worden. Af en toe huilde mijn tante: “Hoe tref je straks je huis aan?” Toen het sein veilig werd gegeven, zijn we weer teruggegaan. Een mooi moment om direct de woning op te knappen en de muren te schilderen. Het was koud in huis. De stroom was uitgeschakeld en de inhoud van de diepvries stonk vreselijk. Maar er stond geen water. De dijken hadden het gehouden! Door deze gebeurtenis is mijn passie voor dijken ontstaan. Inmiddels ben ik alweer ruim 23 jaar in dienst bij het waterschap. Water en waterveiligheid boeien me nog steeds. Het is mijn manier om een waardevolle bijdrage te leveren aan de maatschappij.’

‘Het was een intensieve en bijzondere ervaring’

Wim klein
Wim Willink, Zutphen

‘Tijdens het hoogwater van 1995 waren we nagenoeg 24 uur per dag in touw. Dijkbewaking hadden we nauwelijks geoefend. Dat kun je je nu niet meer voorstellen. Het was een hele intensieve en bijzondere ervaring. In de auto hadden we een mobilofoon, maar toen het water steeg werden snel enkele mobiele telefoons voor ons geregeld. Tot dat moment was ik vaak tussen de middag thuis om bereikbaar te zijn. Ik woonde naast gemaal Helbergen in Zutphen. Daar was wekenlang permanente bewaking, want de pompen moesten draaien en de dieselmotoren werden continu met binnenwater gekoeld. Overdag en ’s avonds hadden we dijkbewaking ingesteld, maar niet in de nacht. Op de dijk bij Bronsbergen begon het asfalt te scheuren. We plakten de scheur af om de werking in de dijk te monitoren. Het viel uiteindelijk mee, de scheur zit er nog steeds. We hadden daarnaast veel last van drijfvuil en schades die daardoor ontstonden. En er waren ook veel wellen, maar door deze af te dekken voorkwamen we verdere problemen. De coupure bij Reesink kan ik me nog goed herinneren. Volgens Rijkswaterstaat zou het water de volgende dag gaan stijgen, maar midden in de nacht werd ik gebeld. Het water liep al over de coupure. Een vast gelast onderdeel hebben we in het water los geslepen en uiteindelijk de coupure bij daglicht dichtgezet. De saamhorigheid was mooi in die tijd. Er werd hard gewerkt in guur weer en iedereen hielp mee.’

‘Ik heb gerend voor mijn leven’

ben klein
Ben Veurman, Doesburg

‘In Doesburg waren ze wel wat gewend met hoogwater. De oude IJsselkade werd zo ongeveer elk jaar in de winter wel verhoogd met een dijkje van zandzakken. Dat was meer regel dan uitzondering, niemand keek ervan op. Maar in 1995 was het anders. Nu nog zie ik het beeld voor me van die oude kade met de industrie er omheen. De IJssel loopt hier met een bocht. Het rivierwater kwam daar met zo’n enorme hoeveelheid en snelheid op ons af, dat we veel meer dan een klein nooddijkje moesten bouwen. Met man en macht en in grote saamhorigheid van collega’s hebben we zandzakken staan vullen. Toen we dat klaar hadden en ons werk stonden te bewonderen, begon die noodkade opeens te schuiven door de grote waterdruk. De zandzakken hadden te weinig grip op de stenen. We schrokken ons rot. Serieus, ik heb toen gerend voor mijn leven. Minutenlang in mijn herinnering, om maar te zorgen dat je op een hoger gelegen punt kwam. Ik ben richting de brug gerend, want daar was de dijk destijds al opgehoogd. Daar heb ik staan uitpuffen en zag dat het uiteindelijk goed ging. Maar ik heb toen wel even een schietgebedje gedaan. Als het water echt was gekomen, hadden we als ratten in de val gezeten.’

‘Koud tot op het bot liepen we dagenlang over de dijk in Ochten’

Andre klein
André Vaags, Ochten

‘Op 1 februari 1995 zat ik op mijn kraan in Winterswijk. Op de radio hoorde ik dat het dorp Ochten in de Betuwe met hoge spoed geëvacueerd werd omdat de Waalbandijk op knappen stond. Een noodsituatie. Precies op dat moment kwam een opzichter bij mij langs met de vraag of ik naar Ochten wilde gaan als dijkwacht, want ze kwamen daar mensen te kort. Mijn eerste vraag was of hij het nieuws niet volgde. Anders gezegd: of hij wel goed bij zijn hoofd was. Terwijl iedereen de Betuwe uit moest, wilde hij mij daar met een paar collega’s naar toe sturen. Maar ik dacht even kort na en nam snel een beslissing. Natuurlijk doe je dat. Voor een waterschapper is dat een unieke ervaring. En bovendien: wij hadden geen last van hoogwater en onze collega’s daar konden onze hulp goed gebruiken. Toen ik voor het eerst mijn kop over de dijk in Ochten stak, schrok ik me rot. Zoveel water en zo hoog had ik nog nooit gezien. Het was een hele dreigende situatie. De dijk was één grote natte cake en vertoonde scheuren. Koud tot op het bot hebben we dagenlang als “expert” over de dijk gelopen, op zoek naar verdachte situaties. Ondertussen reden vrachtwagens met zand af en aan om de dijk te verstevigen en was het leger druk bezig met het plaatsen van folie en zandzakken. Er is uiteindelijk niets gebeurd, alle bewoners konden een paar dagen later weer veilig naar huis. Maar je had er niet aan moeten denken als het fout was gegaan. Tegen al dat water is geen mens bestand. We zijn door het oog van de naald gekropen.’

Reactie Henk Zomerdijk, oud-burgemeester van Ochten:

‘De situatie in Ochten was levensbedreigend. Ik kon niet anders dan tot evacuatie overgaan. Het was de moeilijkste beslissing in mijn bestuurlijke carrière.’